Van MenterA tot PekelA

Waar gaat deze route over?
De dorpen van het Wold-Oldambt liggen op zandreliëfs tegen het voormalige Bourtanger Moor aan, een enorm veengebied dat zich uitstrekte tot Overijssel en in Duitsland. Dit veengebied is sinds de middeleeuwen drooggelegd en afgegraven. De turf was voor huisgebruik en voor nijverheid. Zonder turf kon geen brood gebakken, geen bier gebrouwen en geen baksteen of dakpan gemaakt worden. Andere brandstoffen waren nauwelijks voorhanden. De route van MenterA tot PekelA leidt u door uniek cultuurhistorisch landschap.

Waarom uniek?
Praktisch nergens in Nederland is het cultuurhistorische proces van vervening en het ontstaan van een landschap zo zichtbaar gebleven.

De PekelA was een soort gelijke rivier als de MenterA en zal zich aan ons tonen, soms nog meanderend in een haast nostalgisch decor.
Niet alleen de stad Groningen, of de Randstad heeft veel geld aan dit veengebied verdiend; men zegt wel zonder de turf uit dit gebied was er geen Gouden Eeuw geweest (een parallel met het aardgas in onze tijd), maar ook de inwoners van het Wold-Oldambt hebben hun kost in belangrijke mate aan de venen verdiend. Er zijn vele familie-, zilveren- en culturele banden tussen de Oldambtster MenterA dorpen en de Oude Veenkoloniën in Oost-Groningen. Na de vervening werden de gronden volgens strenge stadsregels geschikt gemaakt als goede landbouwgrond. Landbouwproducten werden net als turf via het functionele kanalenstelsel naar afzetgebieden gebracht. Er kwamen steeds meer scheepswerven en afgeleide werkplaatsen voor smid, touwslager, zeilmaker en scheepsbetimmering. Rederijen zorgden ervoor dat de houten schepen uit dit gebied op alle wereldzeeën voeren. En verkoopbare handel mee terugbrachten. In de negentiende eeuw domineerden de aardappelmeel- en strokartonfabrieken. Voor Nederland werden de Veenkoloniën in economische zin een industriegebied van belang. De schaalvergroting in de landbouw en de industrie leidde in de tweede helft van de 19e eeuw tot sociale tegenstellingen. De strijd om menswaardigheid en rechtvaardigheid werd in deze streek toen en in de twintigste eeuw niet uit de weg gegaan. Wie dat onderwerp aanroert zal snel hartstocht en standvastigheid ontdekken. Nog zijn de meningen bij het terugblikken verdeeld, maar met het verstrijken van de tijd groeit het begrip.

*1 Meeden
Het oude Oldambtster dorp Meeden lag noordelijker aan de toenmalige rand van het hoogveen. Het dorp heeft zich geleidelijk aan in zuidelijke richting verplaatst. Waarom? Men had regelmatig last van hoog water van de Dollard , door de middeleeuwse randvervening (men groef sloten in het veen) droogde het veen uit en klonk het in. Het zuidelijke veen werd bouwland en voorzag in een behoefte, want de oude akkers raakten uitgeput. Dit bouwland strekte zich uit tot de Veensloot, waar men een veendijk met flankerende sloot had gegraven. Ook toen na de reductie in de 16e eeuw (1594) de kloosters uitgespeeld waren en de systematische vervening begon met werkmaatschappijen en projectontwikkelaars (compagnieën), concentreerde Meeden zich op het zuidelijke veen. Men kon moeilijk anders want naar het noorden toe was de opstrekmogelijk beperkt. Men botste snel tegen de opstrekrechten van de boeren uit Eexta en Zuidbroek. Immers de Dollarddijken omgaven tussen deze dorpen een inham die smal toeliep tot de plek waar nu het Gemaal de Munte is. De claim op veengronden van Meeden naar het zuiden toe was tot Zuidwending. Dat laatste leidde in de 17e eeuw tot slaande ruzie tussen de eigenerfden (boeren) van Meeden en de vervener Feiko Clock en zijn mannen. De boeren gingen er op af met landbouwwerktuigen die ook als wapen konden dienen. Maar Clock omsingelde hen en gijzelde hen. De vrouwen van Meeden hebben vervolgens hun mannen bevrijd. Hoe? In het dorp Meeden hebben ze daar in de jaren tachtig een muziekspel over opgevoerd. Aan de taltijke ruzies over de eigendomsrechten, zegt men, is de naam Kibbelgaarn ontleend.

Strenge voorschriften van de stad hoe men moest vervenen.
De vervening en winning van turf heeft het landschap in een eeuwenlang proces gevormd. Het oude moeras was een groot natuurgebied (dus niet woest en ledig) en zelfs hier en daar glooiend. In het Veenkoloniaal Museum ziet u dat op een schilderij van Mancadan. Het centrale gezag van de Stad Groningen dicteerde sinds 1600 nauwgezet wat men mocht en niet mocht. De stad zal vaak vervloekt zijn, maar de centrale regie bepaalde het succes en de welvaart in die tijd. De pachtvoorschriften bemoeiden zich met alles: het stelsel van wijken en zwetsloten werd in meters aangegeven. Zo ook regels over de bebouwing. En regels over het vruchtbaar maken van het land na afgraving. De bonkaarde (top laag) moest terug en vermengd worden met stadsdrek. Zo ontstond een haast geometrisch vruchtbaar landschap. De schatting is dat in Pekela tussen 1664 en 1881 5000 hectare veen in productie is genomen.

Kenmerken van het Veenkoloniale dorp.
Men onderscheidt een enkelvoudig kanalenstelsel (kanaal met loodrecht op bepaalde afstanden de wijken en de zwetsloten) En er is een dubbelkanaalstelsel. Pekela is een voorbeeld van een enkelvoudig kanaalstelsel. Het kanaal is hier de deels gekanaliseerde rivier PekelA, dat nu de naam heeft van Pekelder Hoofddiep. De veenkolonie heeft een drukke(kanaal)kant: hier woonden de neringdoenden. En er is een stille kant: hier stonden hoofdzakelijk boerderijen. Dat handel en nijverheid bloeiden vond zijn oorzaak in de talrijke arbeiders die nodig waren voor de turfafgraving, maar ook in het komen en gaan van de schuiten. Turf werd afgevoerd en stadsdrek (mest voor het land) en handelswaar werd aangevoerd. Later ontstond agrarische nijverheid en scheepsbouw. Ook Pekela speelde een belangrijke rol bij de binnenvaart en de zeevaart. Zo is de vorm van een veenkoloniaal dorp ontstaan uit de verkavelingsstruktuur van het veenlandschap en de gereglementeerde bebouwing langs een hoofdiep. De beslotenheid van die bebouwing wordt regelmatig doorbroken met een uitzicht op een ongekend ruim landschap.

De eerste Catz vestigde zich in 1789 vanuit Arolson (Waldeck Pyrmont) in Pekela. Hij was drogist, hij distilleerde kruidenbitters (ook voor medicinale toepassing) en likeuren. Het was een klein bedrijfje, een soort schuur achter het winkel/woonhuis aan de PekelA. Het vestigingsklimaat was gunstig: om nieuwkomers te lokken golden lagere belasting tarieven, er was turf, er was schoon water en er was veel werklui voor de turf en de scheepvaart. Zijn kruidenelixer onder de naam Catz van Pekela was geliefd. Als het al niet hielp voor allerlei kwalen, dan toch zal de alcohol de pijn naar de vergetelheid verbannen hebben. Wie op de binnenvaart of zeevaart zat nam voor de zekerheid natuurlijk een paar flesjes mee. Ook de vrienden en kennissen in de verre konden daar mee geholpen worden als het nodig was. En zo ontstond een handelsnetwerk. De drogisterij/annex distilleerderij/annex zuidvruchten- en kruidenhandel bloeide. De familie behoorde tot de hoogst betalenden van belasting voor de synagoge. Toen de veenkoloniale scheepvaart in de 19e eeuw afnam (er kwamen ijzeren boten en de kanalen werden ongeschikt) heeft Catz niet afgewacht, maar zijn bedrijf naar de Stad Groningen verplaatst. De distilleerderij kwam aan de Damsterkade en zijn woonhuis daarnaast (hoek Damsterdiep). Opvallend is dat het huis van de familie Catz te Pekela qua architectuur lijkt op het huis in Groningen.

Oorsprong rivier PekelA.
De bron van de rivier PekelA is een veenmeer. Het Hoethmanmeer, dat gesitueerd was op de gelijkname plek ten westen van Bovenpekela. Op een oude kaart meandert de PekelA naar het noorden door ledigheid (op de kaart staat niets getekend) tot zuidoostelijk onder Winschoten op de oever een versterking gebouwd is: de Bruggeschans, een voorpost van de versterking Winschoten. Dan slingert de PekelA noordoostelijk verder tot de bedding van de Rensel. Hier is, toen ook versterkt, het Winschoter Zijl. De PekelA en Rensel banen zich nu een weg oostwaarts. Later zal deze bedding gebruikt worden als onderdeel van het Winschoterdiep, zoals we bij de MenterA ook tussen Zuidbroek en Scheemda zagen. Bij Ulsda, om precies te zijn op de plek die De Bult heet, komt de PekelA in de Westerwoldse A uit. Deze stroomt langs Booneschans en Langakkerschans (Nieuweschans) en zo noordwaarts naar de Dollard. Nu is de uitmonding bij Nieuwstatenzijl.

Het Museum Kapiteinshuis te Nieuwe Pekela.
Wie meer wil weten over Pekela en de zeevaart in de 18e en 19e eeuw kan terecht bij het Kapiteinshuis. Het huis op zich is een door ligging en architectuur authentiek historisch object en zal u verplaatsen naar vroeger tijd. Vaak ligt voor het huis de spitse praam Familietrouw. Dit schip is in het bezit van het Veenkoloniaal Museum in Veendam. Het dateert van 1894 en vervoerde vooral turf, zand en grind.

Ontstaan Oude Pekela.
Toen tegen 1600 het klooster van Heiligerlee zijn bezittingen afgenomen waren (Reductie) verkochten Winschoter eigenaren een groot veengebied aan vier particulieren. Deze richtten de Friesche Compagnie op. Eén van de betrokkenen was de Leeuwarder Clock. Deze was de grootvader van de latere Feiko Clock die in een zekere samenwerking met de Stad Groningen als zeg maar: een projectontwikkelaar/directeur van een werkmaatschappij de vervening ter hand nam. Clock werkte tientallen jaren in dit gebied (met meer en minder succes) en had in sommige perioden meer dan 500 mensen in dienst. Als je de PekelA van noord naar zuid bekijkt is duidelijk te zien dat dit ook de richting is van de vervening over een tijdperk van eeuwen. Aan de Winschoter kant is de PekelA meer rivier en minder gekanaliseerd en hebben de wijken een onregelmatiger patroon. Dit ligt aan de bodemgesteldheid: het veen leverde hier minder bruikbare turf, het oevergebied had reeds een functie als groenland en de oevers bestonden uit moerasijzererts. Ook schiep de pioniersbebouwing een moeilijk veranderbare structuur. Wie turf graaft, moet turf vervoeren. De PekelA bood daartoe samen met de Westerwoldse A via de Dollard de gelegenheid. De Stad Groningen claimde echter later dat alle transport en overslag (het stapelrecht) over de Stad ging. Daartoe werd het Winschoterdiep in de 17e eeuw gegraven. Vanaf 1822 was de verbinding met de stad via Doorsnee, Ommelanderwijk en het Oosterdiep in Veendam.

Hendrik Wester, onderwijshervormer.
Hendrik Wester is in 1752 als boerenzoon in Garmerwolde geboren. Hij was ongeschikt voor de boerderij en via een omweg werd hij in 1772 schoolmeester. Het vak leerde je in die tijd vooral uit de praktijk en je begon met vallen en opstaan. Er waren in die tijd nog geen klassen: uit de groep kregen de leerlingen beurtelings instructie bij de lessenaar van de meester. Een soort individueel onderwijs dus, waarbij bedacht moet worden dat de groep soms wel uit zestig kinderen van verschillende leeftijden bestond. Wester deelde de groep in naar vordering (klassen zouden wij zeggen), die beurtelings les kregen. Verder publiceerde hij schoolboekjes. Bedacht moet worden dat de toenmalige samenleving geen leerplicht kende, dat er armenscholen waren en dat juist in deze tijd door de Franse revolutie nieuwe ideeën over gelijkheid en broederschap doorbraken De leerplcht kwam pas in 1900, als een garantie voor het leerrecht van alle kinderen. Er waren rond 1800 in Nederland meer onderwijshervormers. Ze streefden naar verbetering van de leefomstandigheden en opheffing van misstanden (kinderarbeid) door verbetering van onderwijs: immers kennis is macht. Bijvoorbeeld het Nut van het Algemeen speelde een belangrijke rol. In 1784 kreeg Wester een baan in Oude Pekela. Hij maakte van zijn school een modelschool. Zijn didactische opvattingen over hoe je kennis moest overbrengen en leerlingen kon motiveren kregen wijde weerklank. In 1801 kreeg Nederland een onderwijswet en kwamen er schoolopzieners, om misstanden te voorkomen en de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Wester werd opziener in het rayon Oldambt, Westerwolde en Fivelingo. Hij bouwde (overigens op autoritaire wijze in onze ogen) een nauw contact op met de onderwijzers en deed om het modern te zeggen aan systematische coaching en deskundigheidsbevordering. Hij demonstreerde hoe het moest en instrueerde op zaterdagmorgen groepen onderwijzers (bij zich thuis). Het grafmonument van Hendrik Wester staat op het kerkhof van Oude Pekela. Het vermeldt... aan Hendrik Wester den Schoolhervormer 1752-1821. De nakomelingschap volmake wat hij begonnen heeft...

De Joodse begraafplaats.
In 1683 vestigde Simon de Pool en zijn familie, tabakshandelaar, in Pekela. Dit met vergunning van de Drost van Westerwolde. In 1693 werd er een verzoek ingediend om grond voor een begraafplaats te kopen. Daarmee is deze begraafplaats de oudste Joodse begraafplaats in Noord Nederland. In de begin periode zijn ook uit de Stad Groningen hier Joden begraven. Een veel voorkomend beroep bij de Pekelder Joden was koopman of slager. De Pekelder Joden waren niet rijk, in 1813 waren van de 50 gezinnen slechts 8 gezinnen in staat om belasting voor de synagoge te betalen. In 1791 werd de eerste synagoge gebouwd. in 1884 werd een nieuwe synagoge gebouwd met een huis voor de godsdienstleraar. Deze synagoge is in 1979 door de gemeente gesloopt. Alleen de aangrenzende ambtswoning staat nog op de plek Hendrik Westerstraat 247/248. Van de 150 gedeporteerde joden is na 1945 niemand teruggekeerd. De laatste voorzanger/leraar was rabbi Abraham Toncman. Zijn notulenboek uit 1942 is bewaard gebleven. Zijn laatste op 31-12-42 geschreven zinnen: ...En nu zijn wij, weinigen van velen, overgebleven, wij worden als vee weggeleid om gedood te worden en verloren te gaan, tot ellende en tot schande. Moge er redding en uitkomst voor de Joden komen. Spoedig, in onze dagen. Amen....

Even rondkijken in het centrum van Oude Pekela.
Het criterium is niet of alles wat je ziet aan jouw smaak beantwoordt. Maar een feit is dat dertig tot veertig jaar geleden deze plek een troosteloze indruk maakte: vervuild stinkend water met witte schuimkoppen en veel vervallen huizen. Het is niet meer in om het te hebben over de maakbaarheid van de samenleving. Maakbaarheid? Er is een idee (ideaal) over hoe het anders kan, er is een zekere eendracht, er is een politieke wil en het wordt anders. Dat proces heeft zich in Pekela voltrokken. En nu ziet u een levendig winkelcentrum, bootjes in het water en bij mooi weer zwemmen de kinderen in de PekelA. Zag u in Nieuwe Pekela een contrasterende aanpak (de moderne blauw geschilderde bruggen en verlichting, de moderne beeldende kunst) in Oude Pekela heeft men voor nostalgie gekozen. Kijk maar eens naar de straatverlichting en de beelden. Links is de Raadhuislaan. Daar staat natuurlijk het Gemeentehuis en ook de prachtige koren-en pelmolen De Onrust. Rechts van u ziet u de historische NH Kerk uit 1685. Het is een rechthoekige zaalkerk. Een deel van het meubilair is 17e eeuws. De klok gegoten door Van Bergen in 1840 is in de oorlog geroofd. In 1947 goot Van Bergen in Heiligerlee een nieuwe klok. Wandelt u eens over de begraafplaats. Op een rode sokkel ziet u vlak bij de brug het borstbeeld van Fré Meis, gemaakt door Christine Chiffrun. Niet iedereen is gelukkig met dit beeld vanwege de politieke signatuur: vm.CPN. Maar onomstreden zijn toch wel de sociale en vooral ook praktische betrokkenheid en daadkracht van Fré Meis met de zwakkeren in onze samenleving. Bekend is hij geworden als stakingsleider rond de jaren 70. De strokarton verdween voor de massief karton. De grondstof stro maakte plaats voor de grondstof oud papier. Redenen waren de landbouwmechanisatie (gevolg minder geschikt stro), de onaanvaardbaarheid van het vervuilde water (massief karton is minder vervuilend) en de opkomst van plastic als verpakkingsmateriaal. Gevolg: teruggang. De werkgevers stelden een loonverlaging van 20% voor. Dit leidde tot actie en een staking. Fré Meis was de stakingsleider. In de provincie Groningen waren wel 1500 stakers, die het tien maanden volhielden. De werkgevers moesten in belangrijke mate hun eisen intrekken en alle arbeiders opnieuw in dienst nemen. Een aantal (voormalige) fabrieken waaraan u voorbij rijdt herinnert aan deze ontwikkelingen.

Scheepsbouw en scheepvaart in Pekela.
Het is lang niet bij iedereen bekend dat de Groningse Veenkoloniën een heel belangrijke rol gespeeld hebben bij de Nederlandse scheepvaart. Tot het einde van de 19e eeuw. Al in de middeleeuwen was er sprake van scheepvaart. En daarbij horend scheepsbouw. De randveenturf werd met koggen over de PekelA en de Waddenzee vervoerd. Maar ook zuivelproducten van het Oldambt. Boten kunnen niet leeg terug varen en hebben dan ballast nodig. Is er betere ballast dan handelswaar? In de 14e en 15e eeuw bloeide de handel tussen de Hanzesteden aan de Noordzee en de Oostzee. Dit alles nam in omvang toe toen de grootschalige verveningen in de 17e eeuw begonnen. Koffen, smakken, tjalken werden gebouwd en bevoeren de binnenwateren en de zeeën. In het Veenkoloniaal Museum in Veendam kunt u dit mooie verhaal zien, maar natuurlijk ook in het Museum kapiteinshuis in Nieuwe Pekela. Oude Pekela telde in 1860 179 zeeschepen. In heel Nederland waren toen 2000 zeeschepen en de helft daarvan kwam uit de Veenkoloniën. De bloeitijd eindigde toen het zeilschip werd verdrongen door het stoomschip en hout plaats maakte voor metaal. Stoomschepen waren economischer, niet zo afhankelijk van het weer en er was ruimte voor meer vracht. Zulke schepen konden in Pekela niet gemaakt worden, want de kanalen waren te smal en kenden teveel obstakels. De neergang is uit de getallen duidelijk te zien: In 1960 dus 179 schepen, in 1865 157, in 1870 148, in 1880 84 in 1890 25. De neergang maakte een einde aan talrijke zeemancolleges (verenigingen voor onderlinge hulp, bijscholing, verzekering en onderwijs). De zeevaartschool in Veendam hield op te bestaan. Een aantal bedrijven en scheepswerven die de bui zagen aankomen verplaatsten zich of schakelden om. Bijvoorbeeld Drenth (metaaldoekweverij), Koerts (houthandel) en Catz. Wat doet nog herinneren aan de talrijke scheepswerven en scheepshellingen? Ten eerste de plaats waar de omgeschakelde bedrijven zich bevinden. Maar ook de sluizen en de verlaatshuizen, de trekpaden langs de kanalen, de zeemanssouvenirs, erfstukken in vele huizen. Voorbeelden van die souvenirs zijn riganappen, oostzeelepels, engelse aardewerken hondjes, achterglasschilderijen van schoeners en andere scheepstypen. U treft ze aan in het Museum Kapiteinshuis in Nieuwe Pekela. Ga daar vooral even naar binnen.

© 2011 MenterAroute | Realisatie Grafisch bedrijf de Bruin - Zuidbroek. m